Ga direct naar: inhoud

Partners en de eigen woning

09 mei 2018

Als partners samen een eigen woning kopen en financieren kunnen ze aanlopen tegen een niet-beoogde renteaftrekbeperking. Deze aftrekbeperking kunnen ze voorkomen met een beroep op een recente goedkeuring. Aan dat beroep zitten voor- en nadelen.

Beperkte gemeenschap van goederen

Vanaf 1 januari 2018 geldt de beperkte gemeenschap van goederen als standaard als partners trouwen zonder huwelijkse voorwaarden. Het voorhuwelijks vermogen – bezittingen en schulden – blijven in principe tot het privévermogen van de betreffende partner behoren. Vermogensbestanddelen die tijdens het huwelijk worden verkregen vallen daarentegen wel in de huwelijksgoederengemeenschap. De voorhuwelijkse woning en eigenwoningschuld van een van de partners blijft dus tijdens het huwelijk tot het privévermogen van die betreffende partner behoren. Maar de tijdens het huwelijk gekochte woning valt wel in de huwelijksgoederengemeenschap. En datzelfde geldt voor de financiering die ervoor is aangegaan.

Maar hoe zit het met het voorhuwelijks eigenwoningverleden van de beide partners? Bij het begrip eigenwoningverleden moet je denken aan het overgangsrecht voor bestaande eigenwoningschulden, de restduur renteaftrek, de eigenwoningreserve en de aflossingsstand. Dat eigenwoningverleden blijft privé bij een huwelijk in een beperkte gemeenschap van goederen. Sterker nog: de staatssecretaris van Financiën is van mening dat onderdelen van het eigenwoningverleden – waaronder de eigenwoningreserve – ook aan de persoon van de belastingplichtige verbonden blijven bij een huwelijk in algehele gemeenschap van goederen. Dat uitgangspunt leidt tot de niet-beoogde renteaftrekbeperking.

Voorbeeld

Arie heeft sinds 2007 een bestaande eigenwoningschuld van € 200.000,-. Hij verkoopt in 2017, dus na tien jaar, zijn woning waarbij hij een eigenwoningreserve realiseert van € 50.000,-. In 2018 trouwt hij zónder huwelijkse voorwaarden met Natasha. Vervolgens kopen zij een woning voor € 300.000,-. Natasha heeft geen eigenwoningverleden. Ze financieren de woning met een
aflossingsvrije hypotheek van
€ 100.000,- en een
annuïteitenhypotheek van € 150.000,-. Op grond van de beperkte huwelijksgoederengemeenschap heeft Arie zijn eigenwoningverleden volledig behouden. Echter, woning en beide leningdelen zijn door het huwelijk 50/50 van beide partners. Arie heeft dus een aflossingsvrije hypotheek van € 50.000,- en een annuïteitenhypotheek van € 75.000,-. Dat is € 25.000,- meer dan Arie aan eigenwoningschuld mag hebben. Arie heeft daarmee dus een schuld van € 25.000,- in box 3. Natasha heeft dezelfde schulden. Maar omdat zij geen beroep kan doen op het overgangsrecht voor bestaande eigenwoningschulden valt haar aandeel van de aflossingsvrije hypotheek, een bedrag van € 50.000,-, voor haar in box 3.

Oplossing van Financiën

Het zal duidelijk zijn dat deze uitkomst niet wenselijk is. Wenselijk is dat in deze situatie beide leningdelen volledig kwalificeren als eigenwoningschuld en dat de rente daarmee volledig fiscaal aftrekbaar is. Staatssecretaris Snel van Financiën ziet dat niet anders. Met zijn besluit van 30 januari 2018 lost hij het ontstane probleem op. Hij keurt goed dat fiscale partners over en weer het eigenwoningverleden (overgangsrecht voor bestaande eigenwoningschulden, eigenwoningreserve, aflossingsstand, de verstreken looptijd van eigenwoningschulden) voor de helft aan elkaar kunnen overdragen. Aan die goedkeuring stelt hij drie voorwaarden:

Hiermee haalt de staatssecretaris de pijn uit de regeling. Terug naar het voorbeeld van Arie en Natasha.

Voorbeeld

De financiering die Arie en Natasha voor hun woning aangaan blijft ongewijzigd: € 100.000,- aflossingsvrij en € 150.000,- annuïtair. Door een beroep te doen op de goedkeuring uit het besluit gaat Aries eigenwoningverleden voor de helft over op Natasha. Arie heeft nu dus een eigenwoningreserve van € 50.000,- / 2 = € 25.000,-. Hij kan verder een beroep doen op het overgangsrecht voor bestaande eigenwoningschulden van € 200.000,- / 2 = € 100.000,-. Voor Natasha geldt precies hetzelfde. De aflossingsvrije hypotheek en de annuïteitenhypotheek gaan Arie voor de helft aan. Dit betekent dat zijn aandeel in de aflossingsvrije hypotheek nu volledig is aan te merken als een bestaande eigenwoningschuld. Van zijn aandeel in de annuïteitenhypotheek is tweederde deel – in aanvang € 50.000,- – aan te merken als een bestaande eigenwoningschuld in de zin van het overgangsrecht. Slechts voor de resterende € 25.000,- geldt dat dit is aan te merken als een nieuwrecht eigenwoningschuld. Voor Natasha geldt opnieuw precies hetzelfde. Zij is door het beroep op de goedkeuring als het ware voor de helft in het eigenwoningverleden van Arie gestapt.

Voordelen versus nadelen

We zeiden het al in de inleiding: een beroep op de goedkeuring uit het besluit heeft voor- en nadelen. Het voordeel zal hier duidelijk zijn: door een beroep te doen op de goedkeuring worden Arie en Natasha niet getroffen met een aftrekbeperking. De oplettende lezer zal bovendien zien dat er door een beroep te doen op de goedkeuring uit het besluit er meer ruimte is voor een aflossingsvrije financiering (of een andere dan annuïtaire of lineaire financiering). Beide partners samen hebben nu immers in totaal een bestaande eigenwoningschuld van € 200.000,-. Arie en Natasha zouden op grond van de fiscale wetgeving dus € 200.000,- aflossingsvrij mogen lenen. Een bank mag echter niet meer dan 50% van de waarde van de woning aflossingsvrij aan hypotheek verstrekken. Dit volgt uit de Gedragscode Hypothecaire Financieringen. Maximaal kunnen Arie en Natasha bij de bank dus € 150.000,- aflossingsvrij financieren.

Er is ook een keerzijde, het nadeel. Want wat gebeurt er als Arie en Natasha gaan scheiden? Dan zit Natasha met de spreekwoordelijke gebakken peren.

Voorbeeld

Het huwelijk van Arie en Natasha is een grote mislukking. Ze besluiten onmiddellijk weer uit elkaar te gaan. Door het beroep op de goedkeuring heeft Natasha echter wel eigenwoningverleden verkregen. Stel dat de woning weer wordt verkocht voor € 300.000,-. Natasha’s aandeel in de verkoopopbrengst bedraagt € 150.000,-. Zij heeft een eigenwoningschuld van € 125.000,- zodat zij een eigenwoningreserve realiseert van € 25.000,-. Vermogensrechtelijk heeft Arie nog wat te vorderen van Natasha. Hij heeft immers € 25.000,- voor haar geïnvesteerd in de woning. Natasha houdt dus aan de verkoop van de woning niets over. Vermogensrechtelijk is dat niet heel erg. Ze heeft immers ook niets geïnvesteerd. De fiscale doorwerking naar een door haar aan te kopen nieuwe woning is echter minder plezierig. Stel dat Natasha een woning koopt van € 200.000,-. Zij kan dan maximaal € 175.000,- lenen in box 1. Ze heeft immers een eigenwoningreserve. Voor een bedrag van € 100.000,- heeft Natasha bovendien nog ‘slechts’ twintig jaar renteaftrek (onder het overgangsrecht).

Werkingssfeer goedkeuring

In de bovenstaande voorbeelden is uitgegaan van de beperkte gemeenschap van goederen. De komst van dit nieuwe huwelijksvermogensrecht was ook de (eerste) aanleiding tot het besluit. De werkingssfeer is echter ruimer. Alle fiscale partners kunnen een beroep doen op de goedkeuring uit het besluit, dus ook samenwoners. Voor samenwoners is een beroep op de goedkeuring echter veel minder vanzelfsprekend. Zij hebben, anders dan partners die in de beperkte gemeenschap van goederen huwen, de goedkeuring namelijk helemaal niet nodig om hun zaken fiscaalrechtelijk op orde te krijgen. Het enige wat zij moeten doen is afspraken maken over de interne draagplicht ter zake van de leningdelen.

Voorbeeld

Arie en Natasha huwen helemaal niet, maar kopen samen een woning waarin zij gaan samenwonen. De financiering voor de woning is opnieuw € 100.000,- aflossingsvrij en € 150.000,- annuïtair. Een beroep op de goedkeuring uit het besluit wordt niet gedaan. Wel maken zij afspraken over de interne draagplicht van de beide leningdelen. Zij spreken af dat de aflossingsvrije hypotheek Arie volledig aangaat, dus voor 100%. Dit leningdeel gaat Natasha voor 0% aan. Voor de annuïteitenhypotheek geldt precies het omgekeerde. Deze gaat Natasha voor 100% aan en Arie voor 0%. Dat zij beiden wel hoofdelijk medeschuldenaar voor beide leningdelen zijn – dus dat de bank bij beide partners voor verhaal kan aankloppen – doet aan deze interne draagplichtafspraak niet af. Deze afspraak heeft fiscale doorwerking. Aries aflossingsvrije hypotheek correspondeert volledig met zijn eigenwoningverleden. De gehele lening is voor hem een bestaande eigenwoningschuld waarvoor hij nog twintig jaar renteaftrek kan claimen. Natasha’s annuïteitenhypotheek is volledig een nieuwrecht eigenwoningschuld. Voor deze lening kan zij nog dertig jaar renteaftrek claimen.

Verdelen belastbare inkomsten uit eigen woning

De belastbare inkomsten uit eigen woning kunnen fiscale partners verdelen in de verhouding die zij kiezen. Stel dat Arie en Natasha een eigenwoningforfait hebben van € 2.100,- en € 6.600,- aan rente betalen in het eerste jaar. In dat geval zijn de belastbare inkomsten uit eigen woning € 4.500 negatief. Dit inkomen kan bij de aangifte inkomstenbelasting volledig aan Arie worden toebedeeld, volledig aan Natasha worden toebedeeld of iedere verhouding daar tussenin. Een beroep op de goedkeuring uit het besluit staat aan deze toedeling niet in de weg.

Conclusie

De goedkeuring uit het besluit van 30 januari 2018 neemt de fiscale pijn weg die kan ontstaan als partners in een beperkte gemeenschap van goederen trouwen, waarbij (ten minste) één partner een eigenwoningverleden heeft. Dat is goed nieuws. Ook samenwoners kunnen een beroep doen op de goedkeuring, maar dat beroep is veelal niet nodig. Samenwoners hebben immers een alternatief dat gehuwden in een (beperkte) gemeenschap van goederen niet hebben. Zij kunnen namelijk onderlinge afspraken maken over de interne draagplicht.

Bron: Fiscaal Juridisch Adviesbureau Nationale-Nederlanden Bank