Ga direct naar: inhoud

Fiscale wijzigingen 2018: wat is er voor u veranderd?

Op 19 december 2017 is onder andere het Belastingplan 2018, de wet Overige fiscale maatregelen 2018 en de Wet Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 tot het geleidelijk uitfaseren van de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld aangenomen door de Eerste Kamer. In dit artikel treft u een inhoudelijke toelichting aan op een aantal relevante fiscale wijzigingen.

Verval tijdklemmen Brede Herwaardering kapitaalverzekering in wet opgenomen

Met ingang van 1 april 2017 zijn de tijdklemmen (de verplichting om gedurende 15 dan wel 20 jaar jaarlijks in te leggen) voor kapitaalverzekeringen eigen woning, spaarrekeningen eigen woning en beleggingsrechten eigen woning vervallen. Dit gold niet voor Brede Herwaardering kapitaalverzekeringen. In het besluit van 15 mei 2017 heeft de Staatssecretaris van Financiën aangegeven dat de tijdklemmen ook voor Brede Herwaardering kapitaalverzekeringen zijn vervallen met terugwerkende kracht naar 1 april 2017.

Met de wet Overige fiscale maatregelen 2018 heeft het vervallen van de tijdklemmen voor Brede Herwaardering kapitaalverzekeringen een wettelijke basis gekregen. Deze maatregel kent eveneens terugwerkende kracht tot 1 april 2017.

Verval inkeerregeling voor buitenlands inkomen uit sparen en beleggen

De inkeerregeling, waardoor belastingontduikers een lagere boete krijgen bij vrijwillige melding, vervalt per 1 januari 2018 voor inkomen uit sparen en beleggen (box 3 inkomen) dat in het buitenland is opgekomen.

Als de Belastingdienst verzwegen inkomsten of vermogen op het spoor komt, is de belasting alsnog verschuldigd en kan de Belastingdienst een boete opleggen. Deze boete is een percentage van de nagevorderde belasting. De hoogte van de boete is afhankelijk van de feitelijke omstandigheden.

Boete bij verzwijgen van inkomen en/of vermogen

Box 1 of 2 of erfenis Box 3
Grove schuld 25% 75%
Opzet 50% 150%
Ernstige fraude of recidive 100% 300%

Er kunnen strafverzwarende en straf verminderende factoren zijn waardoor het percentage hoger of lager is.

De inkeerregeling

Als het verzwegen inkomen of vermogen vrijwillig wordt aangegeven, volgt geen strafvervolging en wijzigt het boetepercentage. Het gebruik van deze zogeheten ‘inkeerregeling’ is uitsluitend mogelijk indien de fiscus het verzwegen inkomen of vermogen nog niet ontdekt heeft. Bij vrijwillige verbetering van de aangifte binnen twee jaar is geen boete verschuldigd. Is de tweejaarsperiode al verstreken dan kan de boete gematigd worden. De boete bedraagt dan 40% van de boete die verschuldigd is zonder inkeerregeling.

Eerder aangenomen wetgeving die in 2018 ingaat

Pensioenrichtleeftijd 68 jaar

Sinds 1 januari 2014 is de zogenoemde pensioenrichtleeftijd wettelijk gekoppeld aan de levensverwachting. De pensioenrichtleeftijd is een (reken)leeftijd die wordt gebruikt voor de berekening van de maximaal toegestane fiscale opbouw van pensioen via de werkgever. Op grond van de wet is de verhoging van de pensioenrichtleeftijd gekoppeld aan de door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) geraamde levensverwachting. Op 31 oktober 2016 heeft het CBS dit cijfer voor het jaar 2028 gepubliceerd. Dit geeft aanleiding om de pensioenrichtleeftijd per 1 januari 2018 te verhogen van 67 jaar naar 68 jaar.

Als gevolg van de verhoging van de AOW- en pensioenrichtleeftijd kan een groter inkomenstekort (pensioengat) ontstaan omdat het van het verschil tussen de AOW-gerechtigde leeftijd en de pensioenleeftijd toeneemt.

De verhoging van de pensioenrichtleeftijd heeft alleen invloed op de vanaf 1 januari 2018 op te bouwen pensioenaanspraken.

In lijn met de aanpassing van de fiscale opbouwruimte voor pensioen in de werkgever-werknemersfeer worden ook de fiscaal maximale opbouwruimte voor lijfrenteproducten en het dotatiepercentage voor de fiscale oudedagsreserve aangepast.

Verschil AOW- en pensioenleeftijd

Jaar AOW leeftijd Pensioenleeftijd Verschil (maximaal)
2017 65 jaar en 9 maanden 67 jaar 15 maanden
2018 66 jaar 68 jaar 24 maanden

Aanpassing lijfrentepremieaftrek en OR-dotatie

Als gevolg van de verhoging van de pensioenrichtleeftijd wijzigt ook de maximale lijfrentepremieaftrek en dotatie aan de oudedagsreserve per 1 januari 2018.

Lijfrentepremieaftrek

Bij een verhoging van de pensioenrichtleeftijd met één jaar,wordt het premiepercentage voor de bepaling van de jaarruimte voor een lijfrente verlaagd met 0,5%-punt. In 2018 wijzigt het premiepercentage van 13,8% naar 13,3%. Bij de bepaling van de jaarruimte speelt ook de jaarlijkse pensioenaangroei (factor A) een rol. Net als het premiepercentage wordt ook de vermenigvuldigingfactor van de jaarlijkse pensioenaangroei verlaagd als gevolg van een verhoging van de pensioenrichtleeftijd met één jaar. In 2018 wijzigt de vermenigvuldigingsfactor van 6,5 naar 6,27. De verlaging voorkomt dat het in de tweede pijler opgebouwde pensioen via de imputatieregeling (6,27 x factor A) sterker zou doorwerken in de bepaling van de jaarruimte dan vóór de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd het geval is.

Jaarruimte 2017: 13,8% x premiegrondslag – (6,5 x factor A) -/- F
Jaarruimte 2018: 13,3% x premiegrondslag – (6,27 x factor A) -/- F

F = de toevoeging aan de oudedagsreserve in het voorafgaande jaar verminderd met de afname van de oudedagsreserve in het voorafgaande jaar.

Voorbeeld

Bij een premiegrondslag van € 62.000 en een jaarlijkse pensioenopbouw van € 732 bedraagt de lijfrentepremieaftrek:
2017: 13,8% x € 62.000 = € 8.556 – € 4.758 (6,5 x € 732) = € 3.798
2018: 13,3% x € 62.000 = € 8.246 – € 4.590 (6,27 x € 732) = € 3.656

Oudedagsreserve

Bij een verhoging van de pensioenrichtleeftijd met één jaar, wordt het dotatiepercentage voor de fiscale oudedagsreserve verlaagd met 0,36%-punt. Het dotatiepercentage van de winst voor de fiscale oudedagsreserve wordt daarom met ingang van 1 januari 2018 verlaagd van 9,8% naar 9,44%.

2017: OR-dotatie 9,80%
2018: OR-dotatie 9,44%

Sinds 2014 is de pensioenrichtleeftijd (= de rekenleeftijd voor maximale 2e pijler pensioenopbouw) gekoppeld aan de levensverwachting. Omdat de maximale opbouw van lijfrente en oudedagsreserve is gekoppeld aan de fiscale opbouwruimte voor het 2e pijler pensioen wijzigt de lijfrentepremieaftrek en de OR-dotatie ook per 1 januari 2018.

LTV naar 100%

Een geldverstrekker moet bij de bepaling van de maximale hypotheek (naast de eigen verstrekkingsnormen) rekening houden met twee grenzen. De laagste van deze twee grenzen bepaalt de maximale hypotheek:

  • Inkomensnormen (Loan-To-Income, LTI)
  • Marktwaarde van de woning (Loan-To-Value, LTV)

De LTV-ratio daalt naar 100%. Er zijn wel mogelijkheden om af te wijken van de LTV-ratio bij de financiering van noodzakelijke woningverbetering. Hierbij kan gedacht worden aan het herstellen van funderingen, dakconstructies, verzakkingen van gevels et cetera. Het gaat dus niet om de financiering van een nieuwe keuken of badkamer. De afwijking is slechts mogelijk als de verhouding tussen de hoogte van het totale hypothecair krediet en de waarde van de woning (= LTV-ratio) daalt door het treffen van de desbetreffende voorzieningen.

Afschaffing renteaftrek restschuldfinanciering

Met ingang van 1 januari 2018 is de restschuldregeling vervallen. De wetgever introduceerde de restschuldregeling in 2012 als tijdelijke crisisregeling. Wie na verkoop van zijn woning nog een restschuld heeft, mag de rente hierover nog maximaal vijftien jaar fiscaal aftrekken. Het doel van de restschuldregeling is doorstroming op de woningmarkt te bevorderen. In antwoord op Kamervragen geeft de staatssecretaris aan dat hij geen aanleiding ziet de restschuldregeling te verlengen. Het aantal transacties op de woningmarkt is fors gestegen. Ook de woningprijzen nemen weer toe.

Wie na 2017 zijn woning verkoopt en met een restschuld achterblijft, heeft in zoverre een schuld in box 3. De rente is dan niet meer aftrekbaar, maar de lening zelf verlaagt de grondslag voor de vermogensrendementsheffing in box 3. Dat hoeft overigens niet onvoordeliger te zijn. De box 3-heffing kan behoorlijk zwaar wegen.

De Successiewet 1956 kent de schenkingsvrijstelling van € 100.800 (in 2018) in verband met de eigen woning. Deze vrijstelling is van toepassing als iemand een schenking doet waarmee de verkrijger zijn eigenwoningschuld geheel of gedeeltelijk aflost. Een restschuld in box 1 óf box 3 valt hier ook onder.
Met de uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning (KEW), spaarrekening eigen woning (SEW) of beleggingsrecht eigen woning (BEW) moet de gerechtigde tot de uitkering een eigenwoningschuld aflossen. Hieronder mag ook een restschuld in box 1 óf box 3 worden verstaan.

Voor ‘nieuwe’ restschulden geldt dat deze niet langer in box 1 vallen. Voor per 31 december 2017 bestaande restschulden in box 1 geldt dat deze in box 1 blijven vallen, met het geldende maximum van vijftien jaar. De laatste restschuld in box 1 verhuist dus pas per 2033 naar box 3.

Aftrekbeperking hypotheekrenteaftrek naar maximaal 49,5%

De aftrekbare kosten voor een eigen woning worden niet tegen het toptarief van de 4e belastingschijf (in 2018: 51,95%) in aanmerking worden genomen, maar tegen een lager tarief. In 2018 is het percentage waartegen aftrekbare kosten in aanmerking worden genomen maximaal 49,5%. Het gaat om alle aftrekbare kosten voor de eigen woning. Dus niet alleen de eigenwoningrente maar ook bijvoorbeeld erfpachtcanons of de nota van de adviseur voor hypotheekbemiddeling.